Een dagje in De Bunker
‘Piep,’ zei Willem Holleeder
door Marcel van Roosmalen
De processen tegen Willem Holleeder spelen zich af in een zwaar beveiligde rechtbank in Amsterdam-Osdorp, beter bekend als ‘De Bunker’. Koud bloed stuurde Marcel van Roosmalen langs de metaaldetectorpoortjes om een dag verslag te doen van het ‘Proces van de Eeuw’. Hij zat achter kogelvrij glas met Holleeders ex Maike Dijkhuis tijdens het verhoor van misdaadverslaggever John van den Heuvel. Van Roosmalen deed in De Bunker unieke observaties.
Marie-Anne belde.
Ben je druk?
Het antwoord - ‘gaat wel’ - was het teken om door te pakken. Of ik een dagje - meer daagjes mocht ook, graag zelfs - van het hoger beroep van het proces tegen Holleeder wilde volgen? Voor Koud bloed, haar nieuwe uitgeefproject. Ik had het ooit beloofd.
En het was toch ook best leuk en spannend?
Godzijdank zei ze ‘leuk’ en ‘spannend’ en niet ‘gek’, want dat zeggen ze meestal. Dat ze een ‘gek’ of ‘te gek plan’ hebben en dat ze toen aan mij dachten. Een mevrouw van het Volkskrant Magazine zei een maand eerder: ‘Ga maar eens een hele dag op de parkeerplaats bij Ikea staan en schrijf alle gekkigheid op die je meemaakt. Dat zou ik graag lezen.’ Daar heb ik later nog lang over nagedacht. Hoe ze over je denken als ze je dat soort dingen vragen.
Maar Marie-Anne was andere koek. Ze was al bezig aan haar vervolgverhaal. Dat ik voor achtergrondinformatie kon bellen naar Paul van Het Parool, die heel aardig was en alles wist. En dat ik maar gewoon naar De Bunker in Osdorp moest gaan. Paspoort meenemen en vragen naar bewaker Bram, had Paul gezegd. Dan kwam alles goed. Lekker observeren en een verhaal schrijven. Ze keek ernaar uit.
Het dagje brak aan.
Ik parkeerde mijn fiets bij De Bunker. Het was tien voor negen, koud en nat. Er waren verder geen mensen. Scheef over de stoep stond een dranghek, waaraan een rood-wit lint hing. De ramen waren geblindeerd met rolluiken. Geen agent te zien. Ik had een ander idee gehad van een extra beveiligd gerechtsgebouw.
Waar waren de agenten? Tijdens de fietstocht naar dit industrieterrein in Amsterdam-Osdorp waren ze overal. Op de Jan van Galenstraat bijvoorbeeld zaten ze met kluitjes in het struikgewas te wachten op fietsers zonder licht. Het waren er twaalf in van die lichtgevende hesjes.
Van de bunker werd ik niet vrolijk. Van de hele Zuidermolenweg niet trouwens. Raar om hier een limousine te zien. De limousine was wit en had zes deuren. Ik probeerde door de geblindeerde raampjes te kijken. Dat ging niet. Ik noteerde de cijfers en letters van het nummerbord en liep om de auto heen om iets speciaals te ontdekken.
Opeens was er een man in overall. Shagje tussen de bruine voortanden. Hij grijnsde. Of ik het een mooie auto vond? Het verhuurbedrijf was even verderop. Ik was even in de veronderstelling geweest dat vrienden - of vijanden, dat kan ook - uit de onderwereld met de limousine naar het hoger beroep waren gekomen. Niet dus. Aan de Zuidermolenweg houden ze er niet van om dingen mooier te maken dan ze zijn. De man in overall was schilder. Bezig met een grote klus. Ik vroeg hem wat ze met Holleeder moesten doen. De man zoog aan zijn shagje. ‘Afknallen en daarna in de gehaktmolen. Varkensvoer van maken.’
Ochtendritueel
Je moest door een soort draaideur, die extra langzaam draaide. Dat noemden ze een veiligheidssluis. Het eerste wat ik binnen zag, was een politieagente. De haren achterover gekamd in een staart, het dienstwapen bungelend op de heup. Ik moest door een detectiepoort. Mijn spullen door een scan.
‘U kent de procedure?’ vroeg ze. Ik knikte. ‘Net als op Schiphol?’ Ze zuchtte. ‘Ja, net als op Schiphol. Riem afdoen, zakken leegmaken, spullen in de bak en dan erdoorheen.’
Het moest een keer over vanwege een muntje in de achterzak. Nadat het gelukt was, ging de paardenstaart op haar stoel achter de scan zitten. Ze dook meteen in haar Telegraaf.
De financiële pagina: ‘BETER BED ZIET NOG GEEN ENKEL HERSTEL’.
Ik vroeg of het druk was. ‘Waaaat?’ Ik kreeg de indruk dat ik een ochtendritueel verstoorde. ‘Zijn er veel mensen?’ vroeg ik. ‘Ja, wat is druk?’ vroeg ze. ‘Je moet daarheen.’
Via de wachtruimte, waar verder niemand was, kwam ik bij een deur. Daar stond een politieagent. Bram, wist ik. ‘Ja,’ zei hij en hij opende de deur.
Geverfd haar
We zaten op een tribune en keken naar rolluiken die langzaam omhoog gingen. In de verte, achter het kogelwerend glas, zag ik Willem Holleeder zitten. Wat ik zag was de achterkant.
Een zwarte trui. Een groot hoofd met geverfd haar en op de kruin een beginnende kale plek. Naast hem zijn advocaat. Rommelend in stapels papier.
De voorzitter van de rechtbank, geen soepele spreker, begon te praten. Het handelde hier om het Hoger Beroep in de zaak Holleeder. Hij constateerde dat de heer Holleeder aanwezig was. ‘Ik ga allerlei dingen zeggen, als u het ergens niet mee eens bent, neem ik aan dat u piept.’
Willem Holleeder: ‘Piep.’
[lees verder in Koud bloed 4]