Voor het eerst vertelt misdaadverslaggever Van den Heuvel over zijn geheime ontmoetingen
Hoe John Mieremet de omerta doorbrak
door John van den Heuvel
John Mieremet en Sam Klepper waren godfathers van de onderwereld. Dat ‘het duo Spic en Span’ betrokken was bij liquidaties stond wel vast, maar wie er precies in hun opdracht stierven en hoe de twee enorme vermogens vergaarden, waren mysteries die Sam Klepper mee zijn graf in leek te nemen, toen hij in oktober 2000 werd geliquideerd. Nadat John Mieremet een moordaanslag had overleefd, onthulde hij misdaadverslaggever John van den Heuvel in augustus 2002 een groot geheim: de top van de Nederlandse onderwereld had jarenlang tientallen miljoenen uit de drugshandel belegd via Nederlands grootste particuliere vastgoedhandelaar Willem Endstra. Waarom verbrak Mieremet de zwijgplicht van de onderwereld? En werd die loslippigheid hem uiteindelijk fataal?
Voor het eerst beschrijft Van den Heuvel zijn opmerkelijke ontmoetingen met John Mieremet. Samenkomsten die ook voor de misdaadverslaggever zelf vérgaande consequenties hadden.
Dinsdag 20 augustus 2002
Sommige telefoontjes kun je je zelfs na jaren nog bijna woordelijk voor de geest halen. Eén zo’n gesprek vond plaats op dinsdag 20 augustus 2002, rond een uur of twee in de middag. ‘Met John van den Heuvel,’ neem ik als gebruikelijk mijn mobiele telefoon op. ‘Ja, met John Mieremet aan deze kant, weet je nog wie ik ben?’ Even denk ik aan een grap. ‘Wat dacht je zelf,’ antwoord ik. ‘Ik wil graag een keer met je praten,’ klinkt het in onvervalst Amsterdams. ‘Ken dat?’
Ik had John Mieremet op dat moment één keer in levenden lijve ontmoet. In het voorjaar van 2000 botste ik in Amsterdam bijna tegen hem op, op de hoek van de Van Baerlestraat en de PC Hooftstraat. Hij was verhit in gesprek met Sam Klepper. Beide onderwereldkopstukken hadden – zeer tegen hun gewoonte in – even geen oog voor de omgeving, waardoor ik kans zag Klepper een tikje op de schouder te geven. Verbaasd draaiden Klepper en Mieremet zich om.
Sam Klepper sprak ik de maanden daarvoor diverse keren. Nadat hij lucht kreeg van aanstaande publicaties over hem, was hij dankzij bemiddeling van een collega-misdaadjournalist bereid een aantal vragen te beantwoorden. In het Van der Valkhotel in Haarlem-Zuid liet Klepper zich zeer openhartig uit over in zijn ogen verontrustende ontwikkelingen in de Amsterdamse onderwereld. Tijdens die gesprekken had-ie het altijd uitsluitend over zijn rol. Zijn ‘partner in crime’ John Mieremet bleef onbesproken. Bewust, zo bleek. ‘John vindt het eigenlijk helemaal niets dat ik met de pers praat.’
Ook bij die toevallige ontmoeting in de PC Hooftstraat hield Mieremet zich afzijdig, al lachte hij wel mee toen ik het duo er grijnzend op wees dat ze die dag kennelijk niet zo scherp waren. Wat was de reden dat John Mieremet nu wél wilde praten, vroeg ik me af, na afgesproken te hebben de volgende dag naar zijn Belgische woonplaats Neerpelt te komen.
Woensdag 21 augustus 2002
Villapark Grote Heide in Neerpelt is het Wassenaar van Belgisch Brabant. Als ik de Wildlaan inrijd, zie ik John Mieremet samen met een andere man aan de zijkant van zijn enorme landgoed staan. ‘Ga maar vast naar binnen, ik kom eraan,’ zegt hij bij het handen schudden. Een beveiligingscamera draait mee als ik via het toegangshek naar de voordeur loop. Op aanwijzen van de werkster neem ik plaats in het kantoor, via een deur links in de grote hal van de villa. Het eerste wat opvalt, is een enorm jachtgeweer, dat open en bloot op het bureau ligt. ‘Je bent wel op alles voorbereid,’ zeg ik, als Mieremet na enkele minuten in zijn bureaustoel heeft plaatsgenomen. ‘Wacht dacht jij dan?’ zegt hij terwijl hij zijn overhemd openknoopt. Een vers litteken van minstens twintig centimeter ontsiert het melkwitte bovenlichaam van de topcrimineel. Grimmig: ‘Ik laat me niet voor de tweede keer verrassen.’
Mieremet begint dan te vertellen over 26 februari 2002, de dag dat hij in Amsterdam werd neergeschoten voor de deur van advocaat Evert Hingst. ‘Om één uur ’s middags had ik een afspraak met Hingst. Op zijn verzoek. Hij had me ’s ochtends gebeld of ik naar zijn kantoor wilde komen. Nu besef ik pas dat ik toen in de val ben gelokt. Hingst had me niets belangrijks te vertellen en ik stond snel weer buiten. Op het moment dat de deur achter me dichtviel, hoorde ik dat de sleutel werd omgedraaid. Op hetzelfde ogenblik – ik stond nog op de trap – komt er een man met een vuurwapen op me af. Het was van een meter afstand direct: boem, boem, boem. In een primaire reactie sprong ik van de trap en wilde wegrennen. Direct volgden er weer schoten. Ik gleed uit en kwam half onder een auto te liggen. Nu is het afgelopen, dacht ik. Nu schiet hij een kogel door m’n hoofd. Maar het was voorbij. Een voorbijganger kwam naar me toe en zei dat ik rustig moest blijven liggen. Ik heb nog met het ambulancepersoneel gesproken en raakte pas op de operatietafel buiten kennis.’ [lees verder in Koud bloed 2]